81.
Hij valt op de andren aan, verminkt, verplettert,
En richt in luttel omvang wondren uit.
Waar hij verschijnt, verschijnt de dood, en klettert
De donder, nooit ontweken, nooit gestuit!
Hoort! hoe hij met de tanden knerst en knettert.
Ziet! hoe hij de oogen rolt naar nieuwen buit.
Zóó laat de hongrende met dorre lippen
Voor rijker maal den harden broodkorst glippen.