95.
Hij kwam mij vaak bezoeken, en dan dreven
De wolken weg: zijn deernis troostte mij.
“In volle vrijheid,” sprak hij, “zult gij leven!”
Geen penning van mijn schat begeerde hij.
Ai mij! hij nam, terwijl hij schonk: zijn geven
Was mij mij-zelv' ontstelen! 'k Heette vrij,
En was slavin! Al 't mindre bleef het mijne,
Maar 't meeste, mijn arm harte, werd het zijne!