25.
‘“Toen Herkules op bergen en in dalen,”’
Zoo andwoordt zij, ‘“de monsters had verdaan,
Beproefde hij geen nieuwe zegepralen,
Noch waagde zich aan d' open oceaan.
Hij merkte een grens; maar al te naauwe palen
Wees hij d' ontembren geest der Menschheid aan:
Ook smaadde Ulyss', door kenniszucht gedreven,
De perken, zoo kortzichtig voorgeschreven.