36.
En ziet! geen hette als zulk een helle gloed
Verspreiden moest, dringt door zijn harnas henen.
Maar of hij hier waarachtig vuur ontmoet,
Of nevelen, die enkel vlammen schenen,
Ontdekt hij niet, want naauwlijks raakt zijn voet
Den vuurgloed aan, of alles is verdwenen.
Een wolk, die zwart en haaglend nederstrijkt.
Maakt alles nacht; maar wolk en hagel wijkt.