29.
Gij-enkel kunt de kwijnende genezen,
Wie Amors pijl het bloedend hart doorstiet.
Dit somber woud, zoo straks nog uitgelezen
Tot de uitgestorven treurcel van 't verdriet,
Is plotsling uit zijn doodslaap opgerezen,
Het leeft en bloeit, zoodra 't u naadren ziet!’ -
Zoo zongen zij. Een stroom van malsche noten
Ontvloeit de myrth, die eensklaps wordt ontsloten.