50.
'k Ben wat gij eischt, uw schildknaap of uw schild!
Mijn laatste snik zal u-alleen behooren:
Eer ooit een zwaard uw kostlijk bloed verspilt,
Zal 't door mijn hals, mijn blooten boezem, boren!
Neen! geen barbaar zoo gruwlijk of zoo wild,
Die u niet spaart, als hij mijn stem zal hooren,
Die 't wrekend staal niet ijlings vallen laat,
Ter liefde van een schoonheid, die gij - smaadt!