53.
Hij zwijgt, en gaat zijn lieven vriend verkwikken,
Toulouzes Graaf, nog lijdende aan zijn wond.
Maar Soliman, met vuurgloed in zijn blikken,
Gaat even trouw zijn kleine bende rond:
‘Geen grimmig lot moet, broeders! u verschrikken,
Zoolang de roos der hope niet verzwond!
De valsche vrees doet lust en veêrkracht kwijnen
En 't minst gevaar onoverkoomlijk schijnen!