82.
Gelijk een rots, ontworteld door den tijd,
Of door d' orkaan gescheurd, met dondrend kraken
Van 't voetstuk rolt, het woud aan flarden rijt,
En brijzelend ter neêr stort op de daken:
Zóó valt de balk! De muur beeft wijd en zijd,
Het bolwerk splijt, ontelbre Heidnen slaken
Den raauwen gil des doods - de toren springt
Omhoog, en 't verst geheuvelte rinkinkt.