83.
Keert gij terug, o worde ik meêgenomen!
't Is naar mijn dierbren kerker, dat ik smacht.
Ach, tranenbrood en pijnigende droomen,
Is al wat mij de vrijheid heeft gebracht!
En zijt gij soms op kondschap hier gekomen,
Zoo weet, dat u een groote tijding wacht!
Gij zult door mij van moordkomplotten hooren
En plannen, in den schoot der nacht bezworen.”’