20.
Het scheen, alsof, op 't ruischen van die taal,
Een heldre glans ter neêrschoot uit den hoogen,
Gelijk wanneer de nacht een bliksemstraal
Of flikkerstar daarheen strooit langs de boogen;
Neen, zoo als eens, in gindsche Pinksterzaal,
Zich boven 't hoofd der Jongren heeft bewogen:
Een vuurtong, of een lichtvlam, bij wier glans
De Veldheer blonk als in een stralenkrans.