44.
Gelijk een kranke in fellen koortsvuurgloed
Een draak ziet, een Chimeer met gloeiende oogen,
En, straks ontwaakt, maar al te wel vermoedt,
Dat hem een waan, een schrikbeeld heeft bedrogen,
Maar niettemin 't gewaande wangebroed
Ontvlieden wil, door huivrende angst bewogen,
Zóó Tankred ook: hij speurt een snood bedrog,
Maar is ontroerd en dubt en aarzelt toch.