8.
Zaagt ge immermeer de wondre wandling aan,
Den dwaalloop van den bochtigen Meander,
Die gaat en keert, nu voort naar d' oceaan,
Dan rugwaart naar zijn eerste bron? ... Geen ander
Is hier de loop dier wondre slingerpaân,
Zich kronkelend en warrlend door elkander.
Maar 't blad des Toovnaars geeft den Ridders hoop:
't Ontvouwt het raadsel en ontwart den knoop.