74.
Zij scharen zich met geestdrift om hem heen
En haasten zich hun schilden op te heffen,
En sluiten die gelijk een dak inéén:
Zoodat geen worp 't omwelfde hoofd kan treffen.
Al dondren ook de klompen naar beneên,
Het schutdak draagt ze en houdt den bodem effen:
Zoo snellen zij in dichte reien voort,
En niets dat hun gewiekten stormmarsch stoort.