30.
Hij slaat den blik op 't glinstrend oorlogsschild,
Hij ziet zijn beeld, zijn gladde meisjenswangen,
De pronksels, aan zijn laffen tooi verspild,
Zijn lokkig hair, waar de amberdruppels hangen,
En 't wapentuig, dat aan zijn zijde trilt,
Den spiegel, die het kruiszwaard heeft vervangen,
Het kruiszwaard, dat, met bloemen overdekt,
Aan gindschen tak den wind tot speeltuig strekt.