20.
Reeds menig wond is Tankred toegebracht,
Maar 's Heidens bloed gudst neêr bij volle beken.
Zijn drift verflaauwt, bij 't slinken zijner kracht,
Als 't vuur, wanneer de brandstof dreigt te ontbreken.
Aan elken slag, nu aarzelend en zacht,
Speurt Tankred, hoe des vijands geesten weken -
Zijn edel hart is met zijn wraak voldaan,
Dies laat hij af, en spreekt den Heiden aan: