13.
Hij peinst: ‘Wat zijn die blaauwe tempelzalen
Verruklijk schoon! Hier bloost de morgentrans,
Ginds giet de maan heur zilver in de dalen,
En vonkelt nog de gouden starrenkrans.
Toch ziet geen mensch die hemelschoonheid stralen:
Wij letten slechts op d' overwolkten glans,
Ons met een blik uit de oogen toegevloten,
Uit stof gevormd en straks in 't stof gesloten!’