75.
Zij spreekt, en roept heur ridders en jonkvrouwen,
Heur paadjes en heur slaven, bij elkaâr;
En weet een pracht en heerlijkheid te ontvouwen,
Als of heur kroon een halve waereld waar'.
Voort! gaat het nu, door bosschen en landouwen,
Bij dag, bij nacht, met heel heur weidsche schaar.
Tot ze eindelijk bij Gazaas hooge wallen
Den krijgsklank van 't Egyptiesch Kamp hoort schallen.