30.
‘Verbreek, o Heer! door Uw geduchte macht
Het dreigend zwaard der trotsche vreemdelingen!
En laat hem, die Uw grooten naam veracht,
Stuiptrekkend voor de poort de handen wringen!’
Zoo bidden zij, maar vruchtloos: want de klacht
Kan 't Rijk des Eeuwgen Doods niet binnendringen.
Terwijl de Stad zich dus bereidt en bidt,
Staat reeds heel 't heir der Christnen in 't gelid.