89.
En daar het niet verborgen is gebleven,
Dat ik der Franken dracht en wapens ken,
Zoo heb ik hun vermomming voorgeschreven,
Door dwang genoopt, rampzalige als ik ben!
Nu kan ik in dit moordhol niet meer leven,
Waar ik het eerlijk recht der menschheid schen,
Ik, ongeschikt voor liegen en verraden,
En huivrend steeds voor alle gruweldaden!