75.
Het zij dan, dat een wenk des Ongezienen,
Die d' ondergang der Heidenmacht besloot,
Tot slechting van haar wanklende ruïnen,
Den Palestijn die woede in de aadren goot,
't Zij, dat zijn drift om lauwren te verdienen
Hem voortjoeg tot in de armen van den dood:
Genoeg, hij doet de koopren poortdeur kraken,
En staat voor 't oog van die de Burcht bewaken.