2.
Al 's waerelds moeite en arbeid en verdriet,
Is voor een wijl begraven en vergeten.
Alleen de Vorst der vorsten sluimert niet,
Maar waakt en werkt, in 't Eeuwig Licht gezeten.
Hij slaat een blik, die hoop en heil gebiedt,
Op Godfried, die Zijn vroome knecht mag heeten,
En zendt hem uit den bontgewiekten stoet
Een Droom toe, die Zijn raad onthullen moet.