33.
Wat looden slaap, wat schijndood boeit uw krachten?
Wat lafheid dooft uw heilgen boezemgloed?
Zie, hoe Buljon, heel 't heir, heel de aarde, u wachten!
U wuift Fortuin den palmtak te gemoet.
Gij, kampioen der hooge Hemelmachten!
Voleind uw taak! Het giftig slanggebroed,
Dat vaak reeds van uw glorie heeft geduizeld,
Moet eindlijk met een laatsten slag vergruizeld!’ -