23.
‘Geen onzer, heer! zal immer wederkeeren
In 't gruwzaam woud, zoo vreeslijk wel bewaard,
Als hadden daar - dat durf ik u bezweeren! -
De Duivlen heel hun legioen vergaârd.
Driedubbel diamant moet hem verweeren,
Wien daar geen angst door 't nokkend harte vaart,
En zinloos moet hij wezen, die naar 't fluistren
En brullen en dien dondergalm kan luistren!’