126.
Wel mijner, als die korte razernij
Niet meêgaat om mijn grafrust te verpesten!
De liefde blijv', de haat verzelle mij,
Ook als slechts de asch van mijn gebeent' zal resten!
En sta getrouw mijn bleeke schim ter zij',
Als ze opstijgt uit de donkre doodsgewesten,
En jage hem, die mij zoo wreed bedroog,
Den schrik in 't hart, de sluimring uit het oog!’