12.
De Heidnen, die op Salems muren staan,
Aanschouwen 't feest, van stil ontzach bewogen:
Dat smeekend lied, die statige ernst in 't gaan,
Die vreemde pracht, 't houdt ze allen opgetogen.
Maar ras is hun nieuwsgierigheid voldaan.
De onheilgen stuiven op; zij rollen de oogen;
Zij barsten los in lastrend hoongeschrei,
Met schrik herhaald door rotstop en vallei.