22.
En wilder en al wilder uitgestroomd,
Zwelt nu de vloed met hobbelende baren,
En wordt een wervelkolk, die schuimt en stoomt,
Nooit brug meer duldt en dreigt met doodsgevaren.
Maar Reinout stapt kloekmoedig naar 't geboomt',
Dat hem begroet met dichtgeweven blaâren;
En 't is alsof die prachtige eenzaamheid
Hem tred voor tred verrassingen bereidt.