40.
De Ridders gaan ontroerd, verbaasd, daarheen;
't Zijn wondren wat zij zien, die de oogen blinden.
Naar woorden zoekt hun tong: zij vindt er geen.
Toch weet Ubout zich niet meer in te binden:
Hij roept in 't eind: ‘Gij Leidsman onzer schreên,
Zeg wie gij zijt en wáár wij ons bevinden!
Heeft mij geen droom, geen schaduwbeeld misleid?
Ik ben bedwelmd door zooveel heerlijkheid!’