21.
Ook Welf is daar: hij voelt zijn hart ontsteken
Van hemelsch vuur, en niet onvoorbereid
Verstout hij zich den Veldheer aan te spreken:
‘O Vorst, zóó vol van goedertierenheid!
Vergeef het mij, zoo ik genâ durf smeeken,
Genade voor een versch, misdadig feit!
Met zulk een beê te naadren voor uw zetel,
Schijnt u misschien ontijdig en vermetel.