141.
En Altamoor, die van zijn levensdagen
Nooit bukte voor lafhartigheid of schand',
Hoort pas dien naam, die, door de Faam gedragen,
Weêrklonken heeft van Noord- tot Zuiderstrand,
Of andwoordt: ‘Ik volbreng uw welbehagen,
Gij zijt het waard,’ en stelt hem 't zwaard ter hand,
‘Maar dat ge op Altamoor mocht triomfeeren,
Voorwaar, 't zal, bij uw roem, uw schat vermeêren!