14.
Gij, zoo gij gingt, zoudt wonderen bestaan,
Gelijk gij die bestondt sints zooveel jaren!
Maar dwaasheid waar' 't, van allen mij te ontslaan,
Wier glorie groent van de eêlste lauwerblaâren;
Ook duldde ik nooit, dat dezen zouden gaan,
(Want zij zijn waard, dat wij hun leven sparen!)
Indien hun plan niet zoo gewichtig scheen,
Of niet uitvoerbaar was door hen-alleen!