5.
Als zwommen de cykladen op de baren,
Als rolden daar gewiekte bergen voort,
Zóó komen al die schepen aangevaren,
En klampen met een schok elkaâr aan boord.
Wat pijlenzwerm! wat toortsgloed! wat gevaren!
De golven zijn gepurperd door den Moord.
De zege dubt, wien zij de palm zal bieden -
Daar schijnt op eens Kleopatra te vlieden!