31.
Gelijk een man, wien droom bij droom bezwaren,
In 't eind den slaap ontworstelt, die hem bindt:
Dus Reinout, die, bij 't op zijn beeltnis staren
(Hij staart niet lang!) op eens zich-zelv' hervindt.
Een rilling is zijn leden doorgevaren;
Hij sluit het oog, als door den schrik verblind.
O, kon hij in de vlammen, in de kuilen
Van aarde of zee, elk menschlijk oog ontschuilen!