100.
Daar bood men mij den Veldheer aan; maar hij,
Grootmoedig Vorst, had innig medelijden.
Sinds leefde ik zorgloos aan Armidaas zij',
Waar velen mij hun liefde en eerbied wijden.
Zoo zuchtte ik vaak in vreemde slavernij!
Zoo zag ik vaak van ketens mij bevrijden!
Ziedaar mijn lot, een wislend wel en wee....
Maar d' éérsten boei draag ik nog immer meê!