25.
Ginds heet het: ‘Goed! grijp met die vlammende oogen
De buit, waarin de vijand zich vermeit!’
Nu maalt hij, zoo als kleuren 't niet vermogen,
Betooverend door zijn welsprekendheid,
Het Vaderland, in zak en asch gebogen,
Zijn Huisgezin, dat jammerklaagt en schreit:
‘Neen,’ eindigt hij, ‘gij hoort geen Veldheer spreken,
Gij hoort het Vaderland met tranen smeeken: