34.
Hij sprak. Daar staat de fiere jongeling
Ontroerd, geschokt, en met een spraakloos hijgen:
Tot straks de schaamte in gramschap overging,
In gramschap, die 't gezond verstand doet zwijgen;
Maar 't gloeiend rood, dat zijn gelaat beving,
Verdwijnt, terwijl er eedler blosjens stijgen.
Hij werpt met smaad zijn bonten pronk ter zij',
De teekens zijner laffe slavernij!