74.
Verwijt mij niets, o gij, mijn Voogd en Oom!
Uw eigen kruin zoudt gij met vloek beladen.
Verwoester van mijn blijden jonkheidsdroom,
Gij dreeft mij tot onvrouwelijke daden!
Ge ontnaamt mijn ziel heur maagdelijken schroom,
En stiet mij uit op booze slingerpaden.
Wat ik misdeed uit liefde - uit wraak misdoe,
't Is al úw werk, ú reken ik het toe!’