93.
O, midden in die jammervolle tijden,
Wanneer alom de goddeloze woedt,
Gods tempels schendt, den Hemel durft bestrijden,
En land en zee bedekt met Christenbloed,
Mocht dan Alfons zijn arm der wrake wijden,
Hoe juichten hem Gods Englen te gemoet!
Hoe zou zijn zwaard in bliksemende stralen
De Halve Maan het hoofd doen onderhalen!