5.
't Houdt al hem van bewondring opgetogen,
Beweging, Ruimte, en Harmony en Licht.
Daar staat op eens een Ridder voor zijn oogen:
Een stralenkrans omgloort zijn aangezicht.
Nooit klonk een harp, door d' avondwind bewogen,
Zoo zoet als 't woord, dat hij tot Godfried richt:
‘Hoe nu? mijn vriend zou mij niet welkom heeten?
Zijt gij zoo ras uw Hugo reeds vergeten?’