33.
Zóó spreekt ze, en staart met blikken, droef aan 't kwijnen,
Den jongling aan. De raadloosheid ontlokt
Haar tranen, die gestolde parels schijnen,
Terwijl haar volle boezem hijgt en nokt.
Het schouwspel van zoo bange folterpijnen,
Hadd' zelfs een hart van diamant geschokt -
Maar Reinout, woest noch wreed, doch onbewogen,
Heeft onverwijld zijn slagzwaard uitgetogen.