24.
Zóó rangschikt Emireen zijn volk: ook hij
Haast zich, door alle rangen rond te rijden,
Spreekt zelf, of door den taalman aan zijn zij,'
Van lof en blaam, van loonen en kastijden.
Hier is het: ‘Foei! soldaat, wat siddert gij?
Gij vreest toch niet, met zulk een kans, te strijden?
Gij staat met honderd tegen één, en - ducht?
Een schaduw jaagt die lafaarts op de vlucht!’