63.
Armide ontwaakt en hoort de branding zieden,
Maar 't eenzaam strand is stom en levenloos.
‘Zoo vlood hij dan!’ dus snikt ze, ‘en hij kón vlieden!
Hij liet mij hier, bijna de prooi des doods!
Hij weigerde me een laatste hulp te bieden!
Koel ging hij heen, ijskoud - en voor altoos!
En 'k min hem nog, die 't hart mij heeft gebroken?
En 'k zit hier neêr, in tranen, ongewroken?