40.
De schim smolt weg. Mijn kind, mijn oogelijn
Gij merkt alzoo, noodlottige onweêrs naadren.
Ik weet het niet, zou 't mooglijk zonde zijn,
Te strijden met de Godsdienst zijner vaadren?
Is 't Christendom het ware, al 't andre schijn?
Genoeg! blusch uit dat wilde vuur in de aadren,
Leg af dat zwaard!’ - Hij zwijgt en weent.... haar hart
Ontroert. Ook haar had de eigen droom benard.