14.
Eerst naadren, met Egyptens machtig heir,
Vier oversten. Twee hunner zijn verkoren
In 't Boven-, twee in 't Lager Land, weleer
Uit vruchtbaar slib van d' ouden Nijl geboren,
Dat, opgehoopt, de zeegolf meer en meer
Deed wijken, straks bevrucht door 't zonnegloren.
Zoo wies Egypte, en menig akker ruischt,
Waar 't scheepsvolk eens de baren heeft doorkruist.