20.
Een gantsche lent' van bloemen, uitgezocht
Van kleur en geur, is aan zijn boord ontsproten;
Hij slingert voort en op zijn wandeltocht
Houdt hij geheel het tooverbosch omsloten,
Tot dat hij, met een snellen kronkelbocht,
In 't lommer dringt, nieuwsgierig voortgeschoten,
De blaâren met zijn zilverdaauw besprengt,
En licht en schaduw in zijn golfjens mengt.