28.
Zietdaar Adrast, beroemd in 't verre land
Van Indiën! Wat blik! wat reuzenleden!
Het harnas, dat zijn breede borst omspant,
Is uit een groenen slangenhuid gesneden;
Den titan draagt een snuivende elefant,
Door hem gelijk een daaglijksch ros bereden.
De zonen van den Ganges voert hij aan,
De volken, die in Indus' stroom zich baân.