25.
Hij staart, en waant, na vruchteloos beraden,
Dat zinsbedrog zijn tintlend oor bedroog;
Daar valt, aan 't eind van een der kronkelpaden,
Een myrth hem op een open park in 't oog:
De forsche stam, vol weelderige bladen,
Stijgt fierder dan cypres of palm omhoog:
Zij heft de kruin naar 's hemels wolkenzoomen,
Als ware zij de koningin der boomen.