43.
Gelijk als zich een zanger zal doen hooren,
Wiens hemelsch lied de ontroerde harten dwingt,
Zijn kunst vooraf de harten lokt in de ooren,
Door 't lieflijk voorspel, dat hij zachtkens zingt:
Zóó neemt ook zij, wat smarten haar doorboren,
Heur kunst te baat, die door de zielen dringt,
En zuchtjens, die heur volle borst ontglippen,
Bereiden 't woord, dat ademt op heur lippen.