13.
Zóó spreekt ze. Argant voelt vuur door de aadren stroomen,
En heeft een woord gereed van bittren hoon.
Daar haast de Koning zich hem vóór te komen,
En spreekt tot Solyman op fulpen toon:
‘Wel blijft ge altijd, in waken en in droomen,
U-zelv' gelijk, gij pijler van mijn throon!
U doet noch nood noch doodsgevaar verschrikken,
U de open hel verbleeken noch verblikken!