16.
Hij zwijgt. Daar valt de bonte zangrenschaar
Luid schaatrend in, als om hem toe te juichen.
Nu trekkebekt elk kirrend tortelpaar;
't Zoekt al zijn gade; en zelfs de takken buigen
Liefkozend neêr en strenglen door elkaâr.
't Zijn bloemenkusjens wat de bietjens zuigen,
En kusjens geeft het beekjen - één genucht,
Één gloed van min, doortintelt aarde en lucht.