40.
Al de Edelen begroeten hem om strijd,
Zijn lof weêrklinkt van honderdduizend tongen;
Maar niemant die den jongen held benijdt.
Hij groet Buljon, die mild en onbedwongen
Hem prijst. Hij spreekt: ‘Der goede zaak gewijd,
Ben ik, o Heer! in 't Tooverbosch gedrongen,
Ik zag en overwon 't bedrog. Zend vrij
Uw mannen uit: nu is 't gevaar voorbij!’